Moses

De ballast van grote namen hing om zijn nek.
Door wie of wat ingegeven, vaderland, moedertaal,
oudtestamentische regels, geboortedag,
het bleef ons een raadsel.

Dus deuren bleven op een kier,
ramen wijd open, zodat
hij opgemerkt kon worden of tenminste
ingeschat door zoekers naar zingeving.

Waar bleef hij toch?
Wij in onze Europese wachtstand,
in een drammerige staat van verzorging,
zouden lieve helpende handen bieden.
Maar binnen onze kostbare tijd.

De spraakmemo’s raakten aan wanhoop,
met een laag tralalagehalte, ontcijferden we.
En dan? Waar knopen we het touw aan vast,
zeggingskracht of spreekvaardigheid?

Bewegwijzering kon hij niet lezen, toch vond hij
het lokaal op tweehoog achter, herkende
een logo – dik rood blokkig –, wees naar boven,
telefoonnummers in gekreukte brieven bellend.

Altijd te laat, met zijn fleurige grijns.
Dat vond zijn God no problemo.