Matheus 5:5

ik dacht dat ik zachtmoedig was,
ik zou de aarde erven
maar schrok van machtig mensendom,
lang houdbaar spul en sterven,
van modderstromen, hopen puin,
te volle kippenhokken
van roestvrijstalen tafeltjes
waar dames onverschrokken
hun nagels lieten verven.

ik dacht dat ik onnozel was,
ik zou ter hemel varen
de maan voorbij in vleugelslag
mijn evenwicht bewaren,
de poorten zouden opengaan
voor onschuld, schone handen
maar desalniettemin bleef ik
steeds stuntelig verzanden
in zonnebanklicht staren.
ik dacht dat ik ontroostbaar was,
mijn wangen niet te drogen
maar ik verzon een gloria
en slikte overwogen
geluks-hormonen, feestelijk
een teugje mediteren
uit volle borst het levenslied
de tempel eens proberen,
maar keer op keer belogen.
ik dacht dat ik barmhartig was,
de schepper aan zou kijken
te weten welke geur die had
op wie die dan zou lijken
de dochter van een dondergod
wellicht Samaritaan
een uitgemergeld mannetje
dat, moeilijk te verstaan
mijn vragen zou ontwijken.
ik dacht dat ik heldhaftig was,
demonen lam zou voeren
de straten op, de deuren langs
bij heiligen en hoeren
de bijbel steeds op loopafstand
citaten onbedaarlijk
en Jezus in mijn achterzak
waar hij, niet ongevaarlijk
belagers zou ontroeren.
ik dacht dat ik gewillig was
het wilde leven laten
voor wat het was, of wellicht niet
ik liet profeten praten
de havenlui verstond ik wel
en kamermeisjes beter
zou ik ze helpen lappen
of voor geen ene meter
goed doen wat zij vergaten.
ik dacht dat ik gewillig was
het wilde leven laten
voor wat het was, of wellicht niet
ik liet profeten praten
de havenlui verstond ik wel
en kamermeisjes beter
zou ik ze helpen lappen
of voor geen ene meter
goed doen wat zij vergaten.